ECLI:NL:HR:2012:BW1478

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02620
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 357 SvArt. 358 SvArt. 359 SvArt. 434 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en beperkingen van herstelbeslissing in strafzaken door het hof

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Kort na het arrest stelde het hof een herstelbeslissing op waarin de straf werd aangepast naar 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De Hoge Raad bevestigt dat een herstelbeslissing een zelfstandige, niet wettelijk verankerde bevoegdheid is voor de feitenrechter om kennelijke rekenfouten, schrijffouten of andere eenvoudige fouten in het dictum te corrigeren.

De Hoge Raad benadrukt dat deze bevoegdheid slechts in evidente gevallen mag worden toegepast en dat procespartijen niet in de gelegenheid worden gesteld zich over de voorgenomen verbetering uit te laten. De herstelbeslissing moet worden gewezen door dezelfde rechter(s) die de oorspronkelijke uitspraak hebben gedaan en moet correct worden geregistreerd en aan partijen bekendgemaakt. Tegen een herstelbeslissing staat geen rechtsmiddel open en deze beïnvloedt de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel niet.

In deze zaak heeft het hof met zijn herstelbeslissing ernstige twijfel doen ontstaan over de opgelegde vrijheidsstraf, waardoor de Hoge Raad ambtshalve de strafoplegging vernietigt en de zaak terugverwijst naar het hof voor hernieuwde berechting. Het cassatieberoep van de verdachte wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt ambtshalve het arrest voor wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

12 juni 2012
Strafkamer
nr. S 10/02620
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juni 2010, nummer 22/006112-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot oplegging van de straf die is vermeld in de herstelbeslissing van het Hof, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Omvang van het cassatieberoep
2.1. Het Hof heeft bij arrest van 2 juni 2010 in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 8 november 2007 - de verdachte ter zake van "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en "medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof omtrent de vordering van de benadeelde partijen en de daarmee samenhangende betalingsverplichting overwogen en beslist als in het bestreden arrest is vermeld.
Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 16 juni 2010 beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest.
Bij de op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een bijna vier weken na zijn arrest gewezen zogenoemde "herstelbeslissing" van het Hof van 29 juni 2010 inhoudende - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - dat de verdachte ter zake van voormelde feiten bij het arrest van 2 juni 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2.2. Tegen deze "herstelbeslissing" is het cassatieberoep niet gericht.
2.3. Opmerking verdient nog het volgende.
Blijkens HR 6 juli 2010, LJN BJ7243, NJ 2012/248 is het de feitenrechter in strafzaken toegestaan een zogenoemde herstelbeslissing te geven indien de oorspronkelijk gewezen beslissing, kort gezegd, een onmiddellijk kenbare fout bevat. Het is gebleken dat de uitoefening van deze bevoegdheid in de praktijk tot enkele vragen aanleiding heeft gegeven. Daarom voegt de Hoge Raad het volgende toe aan zijn eerdere arrest.
Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak.
Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten.
Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8778, NJ 2012/249). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Met zijn hiervoor onder 2.1 vermelde "herstelbeslissing" heeft het Hof ernstige twijfel doen ontstaan omtrent de opgelegde vrijheidsstraf. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging te vernietigen.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 juni 2012.