ECLI:NL:HR:2012:BW3263
Hoge Raad
- Cassatie
- E.J. Numann
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.D.H. Asser
- A.H.T. Heisterkamp
- M.A. Loth
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Uitsluiting tussentijds hoger beroep tegen incidentele vordering tot overlegging bescheiden
In deze zaak vordert ABN AMRO Bank in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat haar niet-ontvankelijk verklaarde in hoger beroep tegen de afwijzing van een incidentele vordering tot overlegging van bescheiden. De bank wilde stukken verkrijgen ter onderbouwing van haar verweer in een procedure waarin zij werd aangesproken wegens vermeende onrechtmatige medewerking aan een Ponzi-zwendel.
De rechtbank had de incidentele vordering afgewezen en geweigerd tussentijds hoger beroep toe te staan. Het hof verklaarde de bank vervolgens niet-ontvankelijk in hoger beroep. De Hoge Raad bevestigt dat een beslissing op een incidentele vordering tot overlegging van bescheiden een tussenvonnis is waarop artikel 337 lid 2 Rv Pro van toepassing is, dat tussentijds hoger beroep zonder verlof uitsluit.
Ook wanneer de vordering is gebaseerd op artikel 843a Rv, dat een zelfstandig recht op inzage of afschrift van bescheiden geeft, maakt de beslissing daarop geen einde aan het geding omtrent enig deel van de rechtsvordering die inzet is van het geding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bank geen tussentijds hoger beroep kon instellen tegen het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat tussentijds hoger beroep tegen een beslissing op een incidentele vordering tot overlegging van bescheiden is uitgesloten zonder verlof.