ECLI:NL:HR:2012:BW4102

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02321
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a Wet LB 1964Art. 4.6 Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanmerkelijk belang bij aandelen gehouden door vereniging in belastingzaak

Belanghebbende, een B.V. waarvan alle aandelen werden gehouden door een vereniging, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd op grond van de gebruikelijkloonregeling. De Inspecteur stelde dat A, die feitelijk de zeggenschap over de aandelen had via de vereniging, een aanmerkelijk belang had in belanghebbende. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de vereniging slechts formeel aandeelhouder was en de aandelen voor rekening en risico van A en zijn echtgenote hield.

In cassatie stond centraal of A een aanmerkelijk belang had in belanghebbende. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en dat het oordeel over het aanmerkelijk belang juist was. De feitelijke waarderingen van het Hof waren niet onbegrijpelijk en konden niet worden getoetst in cassatie. Andere middelen werden verworpen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe. Hiermee werd het oordeel van het Hof bekrachtigd dat A en zijn echtgenote een aanmerkelijk belang hadden in belanghebbende, ondanks dat de aandelen formeel op naam van de vereniging stonden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat A en zijn echtgenote een aanmerkelijk belang hadden wordt bevestigd.

Uitspraak

23 november 2012
nr. 11/02321
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 april 2011, nr. BK-10/00035, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/8343 LB/PVV) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 11 april 2012 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en verwijzing.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbendes bedrijfsactiviteiten betreffen onder meer advisering, het afnemen van psychologische testen, studiebegeleiding en bedrijfsconsultancy.
3.1.2. Belanghebbende heeft in 2004 in opdracht van een derde door A (hierna: A) werkzaamheden doen verrichten en daarvoor een bedrag van € 51.835 inclusief btw ontvangen.
3.1.3. Alle aandelen in het kapitaal van belanghebbende worden gehouden door de vereniging G (hierna: de vereniging).
3.1.4. De leden van de vereniging waren eind 2004: A, zijn echtgenote en hun drie kinderen. A en zijn echtgenote hebben in de algemene ledenvergadering ieder 50 stemmen en de kinderen ieder één stem.
3.1.5. De statuten van de vereniging houden onder meer in:
"(...)
Doel
Artikel 2
1. De vereniging heeft ten doel het bevorderen van de onderlinge band tussen de leden van de vereniging mede gericht op een verhoging van de kennis van de leden met betrekking tot de effectiviteit en efficiency van menselijke processen in een generieke omgeving en voorts het verhogen van het persoonlijk en maatschappelijk welzijn van de leden, en al hetgeen daarmede rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.
2. De vereniging tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:
- het regelmatig organiseren van reizen en excursies, alsook het houden van bijeenkomsten voor haar leden;
- het regelmatig organiseren van (studie)bijeenkomsten waarbij de leden hun vaardigheden en kennis op technologisch gebied en de toepassing daarvan in een onderwijs- en een andere generieke omgeving kunnen verhogen
(...)."
3.1.6. Belanghebbende heeft in de jaren 2002 tot en met 2004 dividend aan de vereniging uitgekeerd tot een totaalbedrag
van € 7500 à € 8000. De vereniging heeft dit dividend vrijwel geheel besteed aan studie- en cultuurreizen van de leden.
3.1.7. De Inspecteur heeft met toepassing van de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2004; hierna: de Wet LB 1964) de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.
3.2. Voor het Hof was in geschil, voor zover in cassatie van belang, of A in 2004 in belanghebbende een aanmerkelijk belang had als bedoeld in artikel 12a van de Wet LB 1964, dat wil zeggen een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB 2001. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de vereniging de aandelen in belanghebbende voor rekening en risico van A en zijn echtgenote hield en dat de vereniging slechts formeel aandeelhouder was. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Hiervan uitgaande is het oordeel van het Hof dat A en zijn echtgenote een aanmerkelijk belang in belanghebbende hadden juist. Hierop stuit het vierde middel af.
3.4. Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.W.C. Feteris, R.J. Koopman en G. de Groot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2012.