ECLI:NL:HR:2012:BW7711

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01613
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 Wet Vpb 1969
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vennootschapsbelasting: valutawinst op lening voor aandelenverwerving niet vrijgesteld

Belanghebbende, X B.V., had in 2002 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen die deels was verminderd na bezwaar. De rechtbank en het gerechtshof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond. In cassatie stond centraal of de valutawinst op een lening, afgesloten voor de aankoop van aandelen in een Nederlandse dochtervennootschap, buiten de winstberekening mag blijven.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 13, lid 1, Wet Vpb 1969, valutawinst die verband houdt met een deelneming alleen buiten aanmerking blijft indien deze niet middellijk dienstbaar is aan het behalen van in Nederland belastbare winst. Omdat de dochtervennootschap effectief in Nederland vennootschapsbelasting betaalt, is deze uitsluiting niet van toepassing.

Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen. Hiermee is bevestigd dat valutawinst op leningen voor aandelenverwerving in Nederlandse dochtervennootschappen belast blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat valutawinst op lening voor aandelenverwerving in Nederlandse dochtervennootschap niet vrijgesteld is.

Uitspraak

8 juni 2012
nr. 11/01613
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 februari 2011, nr. BK-10/00022, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan A B.V. is voor het jaar 2002 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/3685) heeft het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. A B.V. (hierna: A) is bij akte van 6 augustus 2008 juridisch gefuseerd met belanghebbende, waarbij belanghebbende de verkrijgende vennootschap en A de verdwijnende vennootschap was.
3.1.2. Op 20 oktober 2000 heeft A voor een bedrag van USD 2.000.000 alle aandelen in B B.V. gekocht. Deze vennootschap is gevestigd in Nederland en is effectief onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Dit aandelenbezit vormde voor A een deelneming in de zin van artikel 13 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2002; hierna: de Wet). De aankoopsom is geheel gefinancierd door middel van een geldlening (hierna: de geldlening) die is verstrekt door de meerderheidsaandeelhoudster van A.
3.1.3. Op 1 januari 2002 bedroeg het niet-afgeloste gedeelte van de geldlening USD 1.790.000 en op 31 december 2002 USD 290.000. Het verschil tussen beide bedragen is veroorzaakt door een aflossing ten bedrage van USD 1.500.000. Daarbij heeft A een valutawinst behaald (hierna: de valutawinst).
3.2. Voor het Hof was in geschil of de valutawinst een voordeel vormt dat op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet buiten aanmerking blijft bij het bepalen van de winst.
3.3. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het middel dat zich tegen dit oordeel keert, faalt. Op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet worden bij het bepalen van de winst kosten - daaronder begrepen voordelen als gevolg van wijzigingen in valutaverhoudingen - welke verband houden met een deelneming alleen buiten aanmerking gelaten indien deze kosten niet middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van in Nederland belastbare winst. Aangezien B B.V. effectief in Nederland aan vennootschapsbelasting is onderworpen, is derhalve bij belanghebbende ter zake van deze deelneming deze uitsluiting van kostenaftrek - en dus ook het onbelast blijven van valutawinsten - niet van toepassing.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.