ECLI:NL:HR:2012:BW7954
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e lid 3 Sr
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel oplegde aan betrokkene. Betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Het hof stelde vast dat betrokkene ook uit andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel had verkregen, zonder dat zijn betrokkenheid bij die andere feiten hoefde te worden vastgesteld.
De verdediging voerde aan dat ontneming op grond van artikel 36e lid 3 Sr alleen mogelijk is indien uit wettige bewijsmiddelen blijkt dat er andere strafbare feiten zijn die tot het voordeel hebben geleid. Dit verweer werd door de Hoge Raad verworpen omdat de wet deze eis niet stelt. Het hof mocht op basis van het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemen dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze tot het voordeel hadden geleid.
Het hof baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een kasopstelling die was samengesteld uit verklaringen van betrokkene, belastinggegevens en zijn administratie. Deze gegevens waren voor het hof verifieerbaar en vormden een voldoende grondslag voor de ontnemingsmaatregel.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet noodzakelijk is om de aard van de andere strafbare feiten die tot het voordeel hebben geleid, concreet vast te stellen. Hiermee werd de rechtspraak over de toepassing van artikel 36e lid 3 Sr bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontnemingsmaatregel van € 61.046,64 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.