ECLI:NL:HR:2012:BW8781
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Y. Buruma
- J. Wortel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van deelname raadsheer-commissaris aan raadkamer zonder uitdrukkelijke instemming klaagster
In deze zaak stond de vraag centraal of de deelname van een raadsheer-commissaris (Rh-C) aan de raadkamer zonder uitdrukkelijke instemming van klaagster de behandeling van het klaagschrift nietig maakt. Het klaagschrift betrof een vordering tot afgifte van een inbeslaggenomen geldbedrag. Het Hof had het klaagschrift ongegrond verklaard omdat klaagster niet als rechthebbende kon worden aangemerkt.
Het Hof had een lid van het Hof als Raadsheer-Commissaris aangewezen om getuigen te horen, waarna deze raadsheer-commissaris ook aan de verdere behandeling in raadkamer deelnam. Klaagster stelde dat dit in strijd was met art. 21, vierde lid, Sv, omdat zij niet met die aanwijzing had ingestemd.
De Hoge Raad overwoog dat art. 316 Sv Pro, in samenhang met art. 21 Sv Pro, ook bij de behandeling van een klaagschrift in raadkamer van toepassing is. Volgens art. 316, tweede lid, Sv kan de aanwijzing van een Raadsheer-Commissaris met instemming van het Openbaar Ministerie en klaagster plaatsvinden, maar deze instemming kan stilzwijgend worden gegeven en worden afgeleid uit de proceshouding na de aanwijzing.
Aangezien na de aanwijzing namens klaagster opgave is gedaan van te horen getuigen en haar raadsvrouwe bij de verhoren aanwezig was, oordeelde de Hoge Raad dat het middel dat de behandeling nietig zou zijn, faalt. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de deelname van de raadsheer-commissaris zonder uitdrukkelijke instemming niet leidt tot nietigheid.