ECLI:NL:HR:2012:BW9188
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Y. Buruma
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep wegens falende bewijsklacht medeplegen MDMA-besit
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2512 gram MDMA, verdeeld over circa 10.617 pillen, in zijn woning te Hoofddorp op 22 augustus 2007. Het bewijs bestond uit verklaringen van verdachte en medeverdachte, proces-verbalen van huiszoeking en inbeslagname, en een forensisch rapport dat de pillen als MDMA identificeerde.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij geen opzet had op de aanwezigheid van de pillen omdat deze van een medeverdachte waren. Het hof verwierp dit verweer en concludeerde dat verdachte bewust en nauw met een ander had samengewerkt, zodat sprake was van medeplegen.
In cassatie klaagde verdachte dat de bewezenverklaring onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijsmiddelen en verklaringen voldoende had gewogen en het oordeel met redenen had omkleed. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het oordeel van het hof dat verdachte opzettelijk de verboden MDMA-pillen in zijn woning aanwezig had en daarmee medepleegde. Het arrest werd uitgesproken op 26 juni 2012 door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het oordeel van medeplegen van MDMA-besit wordt bevestigd.