ECLI:NL:HR:2012:BW9961
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens onjuiste rechtsopvatting over recht op raadpleging advocaat bij eerste verhoor
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie gericht op valsheid in identiteitsbewijzen en oplichting.
Het hof had geoordeeld dat de verklaringen van verdachte, afgelegd na haar aanhouding maar zonder dat zij voorafgaand aan het eerste verhoor een raadsman kon raadplegen, toch als bewijs konden dienen. Dit omdat het hof het recht op raadpleging van een advocaat beperkte tot het moment waarop de verdachte reeds was aangehouden en kennis kreeg van het feit dat zij als verdachte zou worden gehoord.
De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg onjuist is en dat het recht op raadpleging van een advocaat vóór het eerste verhoor geldt zodra de verdachte kennis krijgt dat zij als verdachte zal worden gehoord, ongeacht of zij op dat moment al is aangehouden. Hierdoor is het oordeel van het hof dat de verklaringen bruikbaar zijn voor bewijs onjuist.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het dit betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige middelen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.