ECLI:NL:HR:2012:BW9966

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/05253
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • N. Jörg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 GwArt. 164 SvArt. 261 SrArt. 267 SrArt. 269 Sr
Verwijzingen
16 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid vervolging smaadschrift minister-president als ambtenaar

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verdachte wegens het openlijk tentoonstellen van een geschrift en afbeeldingen die de eer en goede naam van minister-president Balkenende aantasten. Het hof had geoordeeld dat de tenlastelegging toegesneden was op art. 261 jo Pro. 267 Sr en dat op grond van art. 269 Sr Pro geen klacht vereist was voor vervolging.

De verdediging voerde aan dat het klachtvereiste van art. 164 Sv Pro niet was vervuld en dat de minister-president niet als ambtenaar kon worden aangemerkt. Het hof verwierp deze verweren en kwalificeerde de minister-president als ambtenaar omdat deze een functie met openbaar karakter bekleedt en bij koninklijk besluit wordt benoemd en ontslagen (art. 43 Gw Pro).

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de vervolging ontvankelijk was zonder klacht en dat de minister-president als ambtenaar in de zin van art. 267 Sr Pro moet worden beschouwd. De overige middelen faalden en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vervolging van verdachte wegens smaadschrift tegen de minister-president ontvankelijk is zonder klacht en kwalificeert de minister-president als ambtenaar.

Uitspraak

3 juli 2012
Strafkamer
nr. S 10/05253
SG/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 november 2010, nummer 22/000564-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu de daarvoor vereiste klacht ontbreekt.
2.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 2 juli 2004 te 's-Gravenhage, en/of Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk door middel van het openlijk tentoonstellen en/of aanslaan van (een) geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en), de eer en/of de goede naam van minister-president Balkenende heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel (een) geschrift(en) en/of afbeelding(en), zoals aan deze telastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, tentoongesteld of aangeslagen (via Internet)."
2.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 2 juli 2004 in Nederland, opzettelijk door middel van het openlijk tentoonstellen van een geschrift en afbeeldingen, de eer en/of de goede naam van minister-president Balkenende heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel een geschrift en afbeeldingen, zoals aan deze telastelegging gehecht en daarvan deel uitmakende, tentoongesteld via Internet."
2.2.3. Het Hof heeft het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft allereerst betoogd dat, nu het in dezen blijkens de tenlastelegging gaat om de ongekwalificeerde vorm van smaadschrift ex artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht, ten onrechte niet is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 164 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Uit de aangifte blijkt niet dat het slachtoffer vervolging wenste, terwijl evenmin uit het procesdossier blijkt dat het slachtoffer een bijzondere volmacht heeft gegeven om namens hem aangifte te doen. Voor zover de machtiging van [betrokkene 1], secretaris-generaal van het departement Algemene Zaken d.d. 31 augustus 2005 als volmacht zou moeten gelden, dan is deze volmacht buiten de ingevolge artikel 66 van Pro het Wetboek van Strafrecht geldende termijn ingediend.
(...)
Het hof overweegt te dien aanzien het volgende.
Aan de verdachte is ten laste gelegd - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - dat hij door opzettelijk te handelen als feitelijk in de tenlastelegging omschreven, de eer en goede naam van de minister-president Balkenende heeft aangerand. Naar het oordeel van het hof is gelet op de tekst van de tenlastelegging beoogd aan de verdachte het strafbare feit als bedoeld in artikel 267 van Pro het Wetboek van Strafrecht ten laste te leggen. Voor het vervolgen ter zake van een dergelijk feit is gelet op artikel 269 van Pro het Wetboek van Strafrecht een klacht niet vereist."
2.3. Het Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven tenlastelegging aldus moet worden opgevat dat zij is toegesneden op art. 261 in Pro verbinding met art. 267 Sr Pro, waarin als strafverzwarende omstandigheid is vermeld, voor zover hier van belang, dat de belediging is aangedaan aan het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling dan wel aan een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg is niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging en moet daarom in cassatie worden geëerbiedigd. Het oordeel van het Hof dat ingevolge art. 269 Sr Pro voor de vervolging van het misdrijf geen klacht vereist was, is dan ook juist.
2.4. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "ambtenaar".
3.2. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "smaadschrift, terwijl dit wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening". Omtrent een door de raadsman van de verdachte gevoerd verweer heeft het Hof het volgende overwogen:
"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de minister-president niet kan worden aangemerkt als het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling.
Het hof onderschrijft dit standpunt van de raadsman. Anders dan door de advocaat-generaal naar voren gebracht, kunnen volgens de geldende jurisprudentie individuele gezagsdragers niet worden aangemerkt als het openbaar gezag, een openbaar lichaam of een openbare instelling zoals bedoeld in artikel 267, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De in de tenlastelegging genoemde hoedanigheid van minister-president dient naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van art. 84 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De minister-president wordt ingevolge artikel 43 van Pro de Grondwet bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen en bekleedt een functie met een openbaar karakter teneinde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten."
3.3. Het oordeel van het Hof dat minister-president Balkenende op het in de bewezenverklaring genoemde tijdstip een "ambtenaar" in de zin van art. 267, aanhef onder 2°, Sr was, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat de minister-president een functie met een openbaar karakter bekleedt en ingevolge art. 43 Grondwet Pro bij koninklijk besluit wordt benoemd en ontslagen.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 3 juli 2012.