ECLI:NL:HR:2012:BW9987
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- N. Jörg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stuiting verjaring bij uitleveringsverzoek aan de Verenigde Staten
In deze zaak stond de uitlevering van een persoon aan de Verenigde Staten centraal, waarbij de vraag speelde of de strafvordering wegens verjaring niet was vervallen. De feiten betroffen een complex van samenhangende strafbare gedragingen gepleegd tussen 1997 en 2010, strafbaar gesteld onder diverse artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Wet op het financieel toezicht.
De verdediging voerde aan dat een groot deel van de feiten verjaard was omdat de verjaring niet was gestuit door de Amerikaanse vervolgingshandelingen, aangezien de 'criminal indictment' van 25 maart 2009 niet aan de verdachte was betekend en hij niet als verdachte was genoemd. De rechtbank oordeelde echter dat de verjaringstermijn van twaalf jaar, gebaseerd op de zwaarste straf, was aangevangen op de dag na de feiten en dat de stuiting van de verjaring ook geldt jegens anderen dan de vervolgde, ook als zij nog niet bekend waren.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar de wetswijziging van 1 januari 2006 in artikel 72 Sr Pro, die bepaalt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, ook ten aanzien van anderen dan de vervolgde, en dat deze stuiting niet afhankelijk is van betekening of bekendheid van de vervolgingsdaad aan de verdachte. Hierdoor werd de verjaring gestuit door de 'criminal indictment' van 25 maart 2009, waardoor alleen feiten die vóór 25 maart 1997 zijn gepleegd verjaard zijn en uitlevering daarvoor niet toelaatbaar is.
Het beroep van de opgeëiste persoon werd verworpen, waarmee de uitlevering voor de feiten na 25 maart 1997 mogelijk bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering is toelaatbaar voor feiten na 25 maart 1997, maar niet voor feiten daarvoor wegens verjaring.