ECLI:NL:HR:2012:BX0942
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van belastingheffing over criminele inkomsten en overschrijding redelijke termijn
In deze zaak staat de toelaatbaarheid van belastingheffing over inkomsten uit criminele activiteiten centraal, in samenhang met strafrechtelijke ontnemingsmaatregelen. Belanghebbende betwistte dat reeds ontnomen of nog te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordelen ook in de belastingheffing kunnen worden betrokken. De Hoge Raad bevestigt dat dergelijke voordelen belastbaar zijn als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden volgens artikel 22 Wet Pro IB 1964.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat betalingen op ontnemingsvorderingen in mindering kunnen worden gebracht op het belastbaar inkomen, waardoor dubbele heffing binnen de verliesverrekeningstermijnen wordt voorkomen. Wel erkent de conclusie van de A-G dat rente- en financieringsnadelen kunnen optreden, vooral als de verliesverrekeningstermijnen zijn verstreken.
Verder is er een klacht over overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zowel in hoger beroep als in de gehele procedure. De Hoge Raad stelt dat belanghebbende tijdens de zitting in hoger beroep had moeten klagen over termijnoverschrijding, wat niet is gebeurd. Gezien de complexiteit van de zaak is het beroep op overschrijding te laat ingediend, waardoor geen immateriële schadevergoeding wordt toegekend.
De conclusie van de A-G is dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard en dat de procedure wordt bekrachtigd. De betrokkenheid van de Minister van Veiligheid en Justitie wordt niet verder behandeld omdat de termijnklacht niet slaagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het hofarrest bekrachtigd zonder vergoeding van immateriële schade.