2.2.3. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot zestig dagen hechtenis, waarvan dertig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het Hof heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot hechtenis voor de duur van 3 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep in verband met een eventueel op te leggen straf bepleit dat, gelet op de vreemdelingenrechtelijke situatie van verdachte, aan hem 1 maand gevangenisstraf (het hof begrijpt hechtenis) wordt opgelegd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- de mate waarin het bewezen verklaarde onherstelbaar verlies en leed teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden van [slachtoffer], zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de proceshouding van verdachte waardoor bij het hof de indruk is ontstaan dat er bij de verdachte sprake is van wroeging en oprecht berouw; het hof overweegt verder dat er geen causaal verband is gebleken tussen het nalaten van verdachte om terstond hulp te bieden en de dood van het slachtoffer;
- de psychische gesteldheid van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken;
- de omstandigheid dat verdachte bij oplegging van hechtenis van een bepaalde duur terzake een overtreding, problemen zou kunnen ondervinden met betrekking tot zijn verblijfsvergunning is ter terechtzitting niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden, en is mitsdien niet in de strafmaatoverwegingen betrokken.
Het hof merkt tenslotte op dat - hoewel vanzelfsprekend geen vergelijk is te maken met het leed dat bij de nabestaanden is ontstaan - het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] ook verdachte diep heeft geraakt en hem de rest van zijn leven zal bijblijven. Op grond van het vorenstaande acht het hof oplegging van hechtenis van na te melden duur, passend en geboden.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten."