ECLI:NL:HR:2012:BX5578
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over ontvankelijkheid en verschuldigdheid griffierecht bij verzet tegen dwangbevel
De Hoge Raad heeft op 2 november 2012 uitspraak gedaan over een verzet tegen een dwangbevel tot betaling van griffierechten. De opposant, een gewezen advocaat, was in verzet gekomen tegen de invordering van griffierechten die volgens hem onterecht waren opgelegd. De kern van het geschil betrof de ontvankelijkheid van het verzet en de verschuldigdheid van griffierechten wanneer een cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens niet-tijdige betaling.
De Hoge Raad kwam terug op een eerdere uitspraak uit 2005 en stelde dat het verzet op grond van de Wtbz en Wgbz een snelle en eenvoudige procedure is waarbij het verzoekschrift niet per se door een advocaat hoeft te worden ingediend. Dit betekent dat het verzet ontvankelijk is ondanks het ontbreken van een advocaatsteken.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het griffierecht verschuldigd blijft vanaf de eerste roldatum of zitting, ook als het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens niet-tijdige betaling. Uitzonderingen gelden voor personen die onder de schuldsaneringsregeling vallen of in privé failliet zijn verklaard; in die gevallen is geen griffierecht verschuldigd.
De Hoge Raad verklaarde het verzet gegrond voor twee nota's waarop het griffierecht onterecht was gevorderd en verminderde de hoofdsom van het dwangbevel dienovereenkomstig. De uitspraak bevestigt de regels omtrent griffierechten en de procedure van verzet tegen dwangbevelen.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel is gegrond verklaard voor twee nota's, waarbij de ontvankelijkheid van het verzet zonder advocaatsteken is bevestigd en de verschuldigdheid van griffierechten bij niet-ontvankelijkheid wegens niet-tijdige betaling is bevestigd met uitzondering van schuldsaneringsgevallen.