ECLI:NL:HR:2012:BX7199

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/00848
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet bpmWegensverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing oorspronkelijke catalogusprijs voor bpm bij ongebruikte personenauto

Belanghebbende kocht in juli 2009 een personenauto die sinds de vervaardiging nauwelijks was gebruikt en registreerde deze kort daarna, waarbij hij bpm betaalde gebaseerd op de catalogusprijs uit 2005. Hij maakte bezwaar tegen de hoogte van de bpm, stellende dat de waarde van de auto was gedaald en dat de bpm op basis van de veilingprijs moest worden berekend.

De rechtbank en het hof verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond, waarbij het hof oordeelde dat de wetgever met artikel 9 van Pro de Wet bpm heeft beoogd de door fabrikant of importeur vastgestelde catalogusprijs als grondslag te gebruiken, ongeacht waardeveranderingen of vervanging van het model.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten van belanghebbende. De Hoge Raad benadrukte dat een ongebruikte auto als nieuwe auto wordt aangemerkt en dat de catalogusprijs die op de dag van registratie geldt, bepalend is voor de bpm-heffing. De veilingprijs of de catalogusprijs van een nieuwer model kunnen niet als maatstaf dienen.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de bpm-heffing blijft gebaseerd op de oorspronkelijke catalogusprijs.

Uitspraak

14 september 2012
nr. 12/00848
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 januari 2012, nr. 11/00032, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 09/2674) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft omstreeks 2 juli 2009 op een veiling een personenauto met een kilometerstand van 174 (hierna: de auto) gekocht. De koopprijs bedroeg € 8600 exclusief veilingkosten en omzetbelasting. De auto was ongeveer vier en een half jaar tevoren in nieuwe staat afgeleverd aan de voormalige eigenaar, en is in die periode niet geregistreerd geweest in het krachtens de Wegensverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.
3.1.2. Op 3 juli 2009 heeft belanghebbende de auto doen registreren in het kentekenregister en met het oog daarop een bedrag van € 4179 aan belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. Bij de berekening van de bpm is hij uitgegaan van de in 2005 voor dit type en model bekendgemaakte netto catalogusprijs van € 16.769.
3.1.3. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het hiervoor in 3.1.2 vermelde, door hem op aangifte voldane bedrag, omdat naar zijn mening de oorspronkelijke catalogusprijs niet langer van toepassing is en de bpm berekend moet worden uitgaande van de reële waarde van de auto.
3.2. Het Hof heeft uit de wetsgeschiedenis van artikel 9 van Pro de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld de door de importeur of fabrikant geadviseerde verkoopprijs ten grondslag te leggen aan de heffing van bpm. Daarmee is naar het oordeel van het Hof uitgesloten dat bij de bepaling van de verschuldigde bpm voor een nieuwe personenauto waardeveranderingen van een te registreren auto ten opzichte van de catalogusprijs in aanmerking worden genomen.
3.3.1. De klachten houden in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke catalogusprijs van de auto. Volgens de klachten kan deze prijs niet meer gelden, omdat het model van dit type auto in 2008 is vervangen door een ander model met een andere catalogusprijs. In dat geval moet de maatstaf van heffing worden bepaald op de werkelijke waarde (de veilingprijs) van de auto.
3.3.2. Voor de berekening van de verschuldigde bpm maakt de Wet onderscheid tussen nieuwe en gebruikte personenauto's (artikel 9, leden 5 en 6, van de Wet). In dit verband moet onder een nieuwe personenauto worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, LJN BI5100, BNB 2009/186). Vast staat dat de auto na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks is gebruikt. Het Hof heeft mitsdien met juistheid geoordeeld dat belanghebbende een nieuwe personenauto in de zin van de Wet ter registratie heeft aangeboden.
Voor dat geval bepaalt artikel 9, lid 5, van de Wet dat als grondslag voor de heffing van bpm de catalogusprijs moet worden gehanteerd. Onder catalogusprijs wordt ingevolge artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs die naar zijn inzicht bij de verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Het gaat daarbij om de op de dag van de registratie voor het desbetreffende type en model personenauto laatstelijk door de fabrikant of importeur kenbaar gemaakte catalogusprijs. Het Hof heeft daarom terecht de veilingprijs als maatstaf van heffing voor de auto verworpen. Daaraan doet niet af dat het model van de auto verouderd was. Anders dan de klachten verdedigen kan de voor de auto bekend gemaakte 'veilingadviesprijs' niet als grondslag dienen, omdat deze prijs niet door de importeur of fabrikant bekend is gemaakt. De omstandigheid dat in 2008 een catalogusprijs kenbaar is gemaakt voor een nieuw model van hetzelfde type personenauto, brengt niet mee dat de voor het oudere model geldende catalogusprijs uit 2005 niet langer van toepassing kan zijn.
3.4. Op grond van het hiervoor in 3.3.2 overwogene falen de klachten.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en C.H.W.M. Sterk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.