ECLI:NL:HR:2012:BX7588

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05534
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROBoek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitleg beëindigingsovereenkomst met finale kwijting en optierechten

In deze zaak stond centraal de uitleg van een beëindigingsovereenkomst tussen ABN AMRO en een werknemer waarbij finale kwijting was overeengekomen. De vraag was of het verval van optierechten geacht moest worden te zijn begrepen in deze overeenkomst.

De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de kantonrechter te Amsterdam met meerdere vonnissen tussen 2008 en 2010. Vervolgens oordeelde het gerechtshof Amsterdam in augustus 2011, welk arrest door ABN AMRO werd bestreden in cassatie.

De Hoge Raad overwoog dat de klachten van ABN AMRO niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en ABN AMRO werd veroordeeld in de kosten van het geding.

Hiermee werd bevestigd dat het verval van optierechten niet geacht wordt automatisch te zijn inbegrepen in een beëindigingsovereenkomst met finale kwijting, tenzij dit expliciet is overeengekomen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat verval van optierechten niet automatisch onder finale kwijting valt.

Uitspraak

12 oktober 2012
Eerste Kamer
11/05534
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. L.B. de Graaf,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te Duivendrecht,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Abn Amro en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 943015 CV EXPL 08-8982 van de kantonrechter te Amsterdam van 25 juni 2008, 29 oktober 2008, 6 mei 2009, 16 september 2009 en 30 december 2009 (uitgesproken op 20 januari 2010);
b. het arrest in de zaak 200.064.833/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2011;
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Abn Amro beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaten van Abn Amro hebben bij brief van 21 september 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Abn Amro in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 365,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 12 oktober 2012.