ECLI:NL:HR:2012:BX8093

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05751
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • Y. Buruma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 353.1 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak wegens ontbreken beslissing beslag en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De kern van het geschil betrof het ontbreken van een beslissing over een aantal inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder een geldkist en vier huishoudelijke voorwerpen, alsmede de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met artikel 353, eerste lid, Sv geen beslissing had genomen over deze inbeslaggenomen voorwerpen, wat een formeel gebrek opleverde. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het deze voorwerpen betrof en wees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase, doordat de stukken te laat waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan zestien maanden volgde. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar en elf maanden naar vier jaar en acht maanden.

De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen. De Hoge Raad sprak het arrest uit op 30 oktober 2012, waarbij de vice-president en twee raadsheren het vonnis tekenden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor het ontbreken van een beslissing over beslag, wijst de zaak terug en vermindert de straf tot vier jaar en acht maanden wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

30 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/05751
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2011, nummer 23/003806-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht, locatie Nieuwegein" te Nieuwegein.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover geen beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen alsmede wat betreft de strafoplegging, tot strafvermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen ten aanzien van een inbeslaggenomen geldkist en een viertal huishoudelijke voorwerpen.
3.2. Op de in de conclusie onder 16 weergegeven gronden moet worden aangenomen dat met toepassing van art. 94 Sv Pro een geldkist en vier niet nader omschreven huishoudelijke voorwerpen, in de beslagstukken aangeduid met de nummers
38 en 40, zijn inbeslaggenomen alsook dat ten aanzien daarvan nog geen last tot teruggave is gegeven.
3.3. De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 353, eerste lid, Sv geen beslissing in ten aanzien van deze inbeslaggenomen voorwerpen. Het middel klaagt hierover terecht.
4. Beoordeling van het vierde middel
4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren en elf maanden.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin geen beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen geldkist en een viertal huishoudelijke voorwerpen (de beslagnummers 38 en 40), alsmede wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze vier jaren en acht maanden beloopt;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak wat betreft de inbeslaggenomen geldkist en een viertal huishoudelijke voorwerpen (de beslagnummers 38 en 40) op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 30 oktober 2012.