ECLI:NL:HR:2012:BX9205
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- R.J. Koopman
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onverenigbaarheid reisaftrek zonder plaatsbewijzen openbaar vervoer
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, waarbij hij een bedrag wegens reisaftrek had opgegeven. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank en het hof werd zijn aanspraak op reisaftrek afgewezen omdat hij niet beschikte over de vereiste plaatsbewijzen openbaar vervoer, hoewel hij wel een reisverklaring had.
In cassatie stelde belanghebbende dat artikel 16, lid 3, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 onverbindend was omdat het geen grondslag zou vinden in artikel 3.87, lid 11, van de Wet IB 2001. De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de tekst en geschiedenis van deze bepalingen volgt dat de combinatie van reisverklaring en plaatsbewijzen vereist is om het recht op reisaftrek te bewijzen.
De Hoge Raad verwierp het bezwaar dat plaatsbewijzen niet op naam gesteld zijn, omdat deze samen met de op naam gestelde reisverklaring een alternatief vormen voor de openbaar-vervoerverklaring. De klachten faalden en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad kende geen proceskosten toe.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting met weigering van reisaftrek blijft gehandhaafd.