ECLI:NL:HR:2012:BY0251

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02682 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over profijtontneming en rechtszekerheid bij aankondiging ontnemingsvordering

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 november 2012 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure met zaaknummer 11/02682 P. Het betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de betrokkene, geboren in 1984, in hoger beroep was gegaan tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem. De kern van de zaak draait om de vraag of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering, omdat de officier van justitie zijn voornemen om een ontnemingsvordering aanhangig te maken niet tijdig had kenbaar gemaakt, zoals vereist door artikel 311 van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad herhaalt eerdere uitspraken over de rechtszekerheid en de gevolgen van het niet tijdig aankondigen van een ontnemingsvordering. Het Hof had geoordeeld dat het verzuim van de officier van justitie geen rechtsgevolg diende te hebben, en dat er volstaan kon worden met de constatering van het verzuim. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof, hoewel het verzuim ten onrechte als een vormverzuim werd aangemerkt, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheden van de zaak, waaronder het feit dat de verdachte in hoger beroep was gegaan, leidden de Hoge Raad tot de conclusie dat het belang van de betrokkene slechts in geringe mate was geschaad.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de beslissing van het Hof, waarbij het belang van rechtszekerheid en de omstandigheden van het verzuim in overweging zijn genomen. Dit arrest benadrukt de noodzaak voor het Openbaar Ministerie om tijdig te communiceren over ontnemingsvorderingen, maar erkent ook dat niet elk verzuim automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid.

Uitspraak

20 november 2012
Strafkamer
nr. S 11/02682 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 april 2011, nummer 21/003822-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2011 houdt in dat de raadsman van de betrokkene aldaar het volgende heeft aangevoerd:
"Ik blijf bij mijn bij brief van 22 februari 2011 aangevoerde standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat artikel 311 Sv is geschonden. Mijn cliënt heeft nadeel ondervonden als gevolg van de schending van art. 311 Sv omdat hij lange tijd er van is uitgegaan dat er geen ontnemingsvordering zou worden gedaan. Juist bij eenvoudige zaken dient het openbaar ministerie eerder niet-ontvankelijk te worden verklaard."
2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat artikel 311 Sv is geschonden nu de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir in de strafzaak kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de onderhavige ontnemingvordering aanhangig te maken.
Het hof constateert dat in de strafzaak tegen verdachte door de officier van justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar is gemaakt dat hij voornemens is een ontnemingvordering aanhangig te maken. Dit is een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het rechtsgevolg van deze schending blijkt niet uit de wet.
Daarom dient beoordeeld te worden of aan het verzuim een rechtsgevolg dient te worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt (vergelijk onder meer HR 11 januari 2011, LJN BN2297).
Het hof neemt voor dit oordeel de volgende door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden in aanmerking:
- de officier van justitie heeft bij brieven van 29 september 2008 (drie maanden na de laatste zitting in de strafzaak) alsnog aan de verdachte en zijn raadsman laten weten dat hij voornemens is een ontnemingsvordering te doen;
- de verdachte heeft tegen het strafvonnis van de rechtbank hoger beroep aangetekend; het verzuim van de aankondiging kon derhalve niet de verwachting wekken dat de strafprocedure met het vonnis van eerste aanleg was beëindigd.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de ernst van het verzuim zodanig gering is dat zal worden volstaan met de enkele constatering ervan.
Het hof verwerpt derhalve het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie."
2.4. Artikel 311, eerste lid, Sv luidt als volgt:
"Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt."
2.5. Bij de onder omstandigheden bestaande verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingvordering is met name de rechtszekerheid in het geding (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199 en HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297).
2.6. Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te beoordelen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199).
2.7. Het Hof heeft geoordeeld dat aan het verzuim van de Officier van Justitie niet uiterlijk ten tijde van zijn requisitoir kenbaar te maken dat hij voornemens is een ontnemingsvordering aanhangig te maken, geen rechtsgevolg dient te worden verbonden, maar dat zal worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Daargelaten dat het verzuim van de Officier van Justitie door het Hof ten onrechte is aangemerkt als een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen de omstandigheden waarop het Hof zijn kennelijke oordeel heeft gebaseerd dat het belang van de betrokkene bij rechtszekerheid omtrent het voornemen van de Officier van Justitie een ontnemingsvordering aanhangig te maken, slechts in geringe mate is geschonden.
2.8. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 20 november 2012.