ECLI:NL:HR:2012:BY0251
Hoge Raad
- Cassatie
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Kenbaar maken voornemen tot ontnemingsvordering door officier van justitie en rechtsgevolgen bij verzuim
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens het niet tijdig kenbaar maken van het voornemen om een ontnemingsvordering ex art. 36e Sr in te dienen, zoals vereist in art. 311 Sv Pro.
De advocaat van de betrokkene stelde dat het verzuim van de officier van justitie ernstige gevolgen had voor de rechtszekerheid en dat daarom niet-ontvankelijkheid moest volgen. Het hof oordeelde echter dat het verzuim weliswaar een vormverzuim was, maar dat het belang van de betrokkene slechts in geringe mate was geschaad, mede omdat het OM het voornemen later alsnog kenbaar had gemaakt en de betrokkene in hoger beroep was gegaan.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en herhaalde eerdere jurisprudentie dat de rechter bij een dergelijk verzuim moet beoordelen of en welk rechtsgevolg eraan verbonden moet worden, zoals niet-ontvankelijkheid of een andere sanctie. Het beroep van de betrokkene werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet tijdig kenbaar maken van een ontnemingsvordering niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.