ECLI:NL:HR:2012:BY0966
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toewijsbaarheid en rechtsmiddelen bij gedwongen schuldregeling en schuldsaneringsregeling
In deze zaak stond de vraag centraal of de toewijsbaarheid van een verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling (art. 287a Fw) afhankelijk is van de toewijsbaarheid van een subsidiair verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (art. 284 Fw Pro). Verzoekster had een schuldregeling aangeboden die door een meerderheid van schuldeisers was aanvaard, maar enkele schuldeisers, waaronder DSW c.s., hadden geweigerd in te stemmen.
De rechtbank wees het verzoek van verzoekster af omdat zij oordeelde dat zonder toewijzing van de schuldsaneringsregeling ook het bevel tot instemming niet kon worden toegewezen. Het hof verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat zij alleen tegen de afwijzing van het dwangakkoord hoger beroep had ingesteld en niet tegen de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en stelde dat de toewijsbaarheid van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling niet afhankelijk is van het subsidiaire verzoek tot schuldsanering. Tevens verduidelijkte de Hoge Raad het stelsel van rechtsmiddelen zoals neergelegd in art. 292 Fw Pro, waarbij onder meer werd vastgesteld dat een schuldenaar in bepaalde gevallen zelfstandig hoger beroep en cassatie kan instellen tegen afwijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, ook als het verzoek tot schuldsanering niet wordt gehandhaafd.
Tot slot werd bevestigd dat geen griffierecht is verschuldigd voor het instellen van rechtsmiddelen tegen afwijzing van deze verzoeken, conform art. 4 lid 2 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof te Arnhem voor verdere behandeling en beslissing.