ECLI:NL:HR:2012:BY4838

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01854
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn in cassatieprocedure zonder rechtsgevolg

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdachte was veroordeeld tot een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

In het cassatieberoep klaagt verdachte over een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad stelt vast dat deze overschrijding inderdaad heeft plaatsgevonden.

Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat gezien de aard en zwaarte van de opgelegde straf en de mate van overschrijding, er geen aanleiding is om aan deze overschrijding rechtsgevolgen te verbinden. Het beroep wordt daarom verworpen.

Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 11 december 2012.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg.

Uitspraak

11 december 2012
Strafkamer
nr. S 11/01854
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 april 2011, nummer 20/000855-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en dat hij het beroep voor het overige zal verwerpen.
2. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 december 2012.