Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd toegewezen. Verdachte was veroordeeld voor diefstal van sigaretten, shag en drank uit een supermarkt te Blaricum, waarbij hij samen met anderen de toegang had geforceerd en goederen onder hun bereik had gebracht.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €1.720,-, bestaande uit niet door verzekering gedekte schadeposten. Verdachte betwistte de ontvankelijkheid van deze vordering en stelde dat het bedrag onduidelijk was en mogelijk hoger dan het eigen risico van de verzekering. Het hof oordeelde echter dat de benadeelde partij rechtstreekse schade had geleden als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en wees de vordering toe.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de gevorderde schade als rechtstreekse schade moet worden aangemerkt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie (HR LJN AV4007 en BB7077). De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en ziet geen noodzaak tot nadere motivering. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van de schadevergoeding aan de benadeelde partij.