ECLI:NL:HR:2013:118

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2013
Publicatiedatum
18 juli 2013
Zaaknummer
11/05347
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering benadeelde partij in strafzaak met betrekking tot rechtstreekse schade door bewezenverklaard handelen van verdachte

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 2 juli 2013 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam. De zaak betreft een vordering van een benadeelde partij die schadevergoeding eiste als gevolg van een strafbaar feit gepleegd door de verdachte. De verdachte was betrokken bij een diefstal uit een supermarkt in Blaricum op 29 september 2009, waarbij sigaretten, shag en drank werden weggenomen. De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van € 1.720,00, die door het Hof werd toegewezen. De verdachte stelde dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moest worden, omdat deze niet van zo eenvoudige aard was dat daarop een besluit kon worden genomen. De raadsman van de verdachte voerde aan dat de vordering meer bedroeg dan het eigen risico van de verzekering en dat er geen duidelijkheid was over de teruggave van de gestolen goederen.

Het Hof oordeelde echter dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade had geleden. De Hoge Raad herhaalde relevante overwegingen uit eerdere uitspraken en oordeelde dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk was. De Hoge Raad verwierp het beroep van de verdachte, waarbij werd vastgesteld dat de schade die de benadeelde partij had gevorderd, terecht als rechtstreekse schade werd aangemerkt. De Hoge Raad benadrukte dat de benadeelde partij zich op grond van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering kan voegen in het strafproces, indien zij rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit.

De uitspraak van de Hoge Raad bevestigt de mogelijkheid voor benadeelde partijen om schadevergoeding te vorderen in strafzaken, mits zij kunnen aantonen dat de schade het gevolg is van het strafbare feit. De beslissing van het Hof om de vordering toe te wijzen, werd door de Hoge Raad bekrachtigd, en de verdachte werd in het ongelijk gesteld.

Uitspraak

2 juli 2013
Strafkamer
nr. 11/05347
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem van 28 november 2011, nummer 21/003393-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
3.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 29 september 2009 te Blaricum tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een supermarkt gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen sigaretten en shag en een fles drank, met een totale waarde van ongeveer 1318,- euro, toebehorende aan winkelbedrijf [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door schuifdeuren van de hoofdingang te forceren, kasten open te breken en een deur van de slijterij te forceren."
3.3.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"Er is in eerste aanleg een bedrag van euro 1.720,- toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Het lijkt erop dat dit het bedrag is dat niet door de verzekering wordt gedekt.
Er is een brief van 7 november 2011 van [A] waarin verzocht wordt om teruggave van de sigaretten waarbij de inkoopwaarde euro 1.200,- is en het eigen risico is euro 1.500,- wanneer er tabak is gestolen.
In de eerste plaats is het vreemd dat niet valt na te gaan waarom er meer wordt gevorderd dan het eigen risico van euro 1.500,- groot is.
In de tweede plaats is er sprake van een verzoek tot teruggave en wanneer de sigaretten niet worden teruggegeven dan is de schade gebaseerd op het eigen risico euro 1.500,-.
Er is geen informatie bekend of de sigaretten zijn teruggegeven en zo ja wanneer noch is er bekend of het eigen risico door de verzekeringsmaatschappij in rekening werd gebracht.
Daarom is [verdachte] van mening dat deze vordering niet van zo eenvoudige aard is dat daarop een besluit kan worden genomen.
Ik wil Uw Hof dan ook verzoeken om de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, althans haar eis te ontzeggen."
3.4.
Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:
"De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat daarop een besluit kan worden genomen. Voorts bevreemdt het de raadsman waarom er meer wordt gevorderd dan het eigen risico van € 1.500,00. Daarnaast heeft de benadeelde partij het Openbaar Ministerie verzocht tot teruggave van de sigaretten.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1720,00. Ambtshalve merkt het hof op dat de omstandigheid dat de schade niet door het Openbaar Ministerie is beperkt, de schadeplichtigheid van verdachte jegens de benadeelde niet raakt omdat het Openbaar Ministerie buiten die rechtsverhouding staat. Bovendien heeft verdachte geen afstand gedaan van de gestolen goederen."
3.5.1.
Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken behoort een op naam van [betrokkene]/V.O.F. [B] opgemaakt "voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces", voor zover inhoudende:
"4b. Gegevens over de schade
De totale schade bestaat uit de volgende posten:
Omschrijving
Bijlagen
Bedrag
[C]
1
€ 1.242,59
" nieuwe deuren
2
€ 3.228,–
[D]
3
€ 383,–
[E]
4
€ 179,30
Voorraad tabak
5
€ 1.220,–
Totaal
€ 6.263,89
5a. Gegevens over eventueel reeds vergoede of elders geclaimde schade
Van de hierboven als totaal
(bij vraag 4b) opgegeven schade
is/wordt een gedeelte, groot:
€ 4.543,89
op andere wijze vergoed (...)
De schade die nog niet is/wordt
vergoed en die in deze procedure
wordt gevorderd bedraagt: Totaal
€ 1.720,–."
3.5.2.
Aan het voegingsformulier zijn de volgende stukken gehecht:
( i) bijlage 1, zijnde een factuur van [C] BV ter betaling van het bedrag van € 1.242,59 (exclusief BTW) in verband met verrichte werkzaamheden aan equipment op het adres [a-straat 1] Blaricum;
(ii) bijlage 2, zijnde een offerte van [C] BV ter betaling van het bedrag van € 3.239,– (exclusief BTW) voor de levering en montage van automatische deuren;
(iii) bijlage 3, zijnde een factuur van [D] ter betaling van het bedrag van € 383,– (exclusief BTW) voor herstel van het alarmsysteem bij een schuifdeur;
(iv) bijlage 4, zijnde een factuur van [E] ter betaling van het bedrag van € 179,30 (exclusief BTW) voor reparaties aan sigarettenkast;
( v) bijlage 5, zijnde een schrijven aan [betrokkene], voor zover inhoudende dat de netto inkoopwaarde van alle aangetroffen sigaretten/shag € 1.220,– bedraagt.
3.6.
Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gevorderde schade als rechtstreekse schade is aan te merken onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.7.
Op grond van art. 51a, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd (vgl. HR 11 april 2006, LJN AV4007, NJ 2006/263 en HR 22 april 2008, LJN BB7077, NJ 2008/468).
3.8.
Het Hof heeft geoordeeld dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd is aan te merken als rechtstreekse schade die zij als gevolg van het hiervoor onder 3.2 weergegeven bewezenverklaarde handelen van de verdachte heeft geleden. De hiervoor onder 3.5.1 en 3.5.2 weergegeven stukken in aanmerking genomen, is dit oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk, terwijl het, mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte omtrent de vordering van de benadeelde partij is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 juli 2013.