Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede en het derde middel
4.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was failliet verklaard, waarna de vraag speelde of het onderzoek ter terechtzitting geschorst moest worden op grond van art. 29 Faillissementswet Pro. De Hoge Raad oordeelde dat een ontnemingsvordering van de officier van justitie geen rechtsvordering is als bedoeld in art. 29 Faillissementswet Pro, zodat schorsing niet noodzakelijk is.
Daarnaast werd een verzoek afgewezen om een bedrag dat in België verbeurd was verklaard in mindering te brengen op de Nederlandse ontnemingsvordering. De Hoge Raad stelde vast dat art. 36e, zevende lid (oud) Sr niet ziet op buitenlandse ontnemingsmaatregelen, maar alleen op ontneming van wederrechtelijk voordeel uit andere feiten binnen Nederland. De wetsgeschiedenis ondersteunt deze uitleg.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de ontnemingsprocedure ondanks het faillissement kan worden voortgezet en dat buitenlandse verbeurdverklaringen niet automatisch in mindering komen op de Nederlandse betalingsverplichting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de ontnemingsprocedure ondanks het faillissement kan worden voortgezet en dat buitenlandse verbeurdverklaringen niet in mindering komen op de Nederlandse ontnemingsvordering.