Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
19 november 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij zich op 8 maart 2010 te Wijhe met geweld had verzet tegen een opsporingsambtenaar door te rukken en trekken in een richting tegengesteld aan die waarin hij werd geleid. Het hof had dit feit bewezen verklaard. De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen van aangifte en verhoren, niet kon worden afgeleid dat de verdachte zich daadwerkelijk op die wijze had verzet. Daarom werd de bewezenverklaring van dat feit vernietigd en de verdachte vrijgesproken.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot vernietiging.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor het feit van verzet en de duur van de straf, sprak de verdachte vrij van het verzet en verminderde de gevangenisstraf tot een duur van twee maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van verzet tegen opsporingsambtenaar en gevangenisstraf verminderd wegens termijnoverschrijding.