Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
19 november 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden, zodat geen nadere motivering nodig was.
De Hoge Raad constateerde ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden.
De rest van het beroep werd verworpen en de Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 23 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.