Uitspraak
,namens:
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
19 november 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Amsterdam uit 2004, waarbij de aanvrager werd veroordeeld voor meerdere feiten van opzettelijk onjuiste en onvolledige belastingaangiften en medeplegen van valsheid in geschrift. De Hoge Raad beoordeelde of nieuwe feiten of omstandigheden die bij het eerdere onderzoek niet bekend waren, aanleiding konden geven tot herziening.
De aanvrager stelde onder meer dat het vervolgen na een bestuursrechtelijke navorderingsaanslag in strijd was met het Una Via-beginsel en dat bepaalde onjuistheden in de aangifte niet tot te weinig geheven belasting konden leiden, waardoor het strekkingsvereiste niet was voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat het Una Via-beginsel niet werd geschonden omdat de wet destijds voorzag in een vermindering van de belastingverhoging bij een onherroepelijke veroordeling.
Verder verwierp de Hoge Raad het betoog dat de onjuistheden in de aangifte niet tot een te lage belastingheffing konden leiden, omdat het enkele feit dat een onjuiste aangifte mogelijk tot minder belastingheffing kan leiden voldoende is. Ook andere aangevoerde gronden werden ongegrond verklaard. De Hoge Raad wees de aanvraag tot herziening daarom af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt het oorspronkelijke vonnis.