Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 7 december 2012, nr. 12/00128, betreffende een aan
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1999-2000 en maakte bezwaar. Tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar stelde belanghebbende in 2011 beroep in bij de rechtbank, die het beroep aanvankelijk ongegrond verklaarde, maar later niet-ontvankelijk wegens onredelijke late indiening. Het hof vernietigde deze beslissing en wees het geding terug naar de rechtbank met instructies.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar valt onder artikel 6:12 Awb Pro en dat de rechtbank terecht ontvankelijkheid toetst aan de termijn. Het hof had onterecht geoordeeld dat artikel 6:10 Awb Pro van toepassing was. Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat het niet uitnodigen van partijen voor een zitting niet onjuist was, omdat de beoordeling van de ontvankelijkheid mede afhangt van de omstandigheden van de late indiening.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bepaalde dat de rechtbank bij de verdere behandeling rekening moet houden met deze uitspraak. Er werden geen proceskosten aan de Staat opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de rechtbank dient het beroep verder te behandelen met inachtneming van dit arrest.