Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De onderdelen zijn dus gegrond.
4.Beslissing
22 november 2013.
Hoge Raad
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2006 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin onder meer een betaling van €120.000,- door de man aan de vrouw was opgenomen. De man vorderde dat de vrouw voor de helft zou bijdragen aan belastingschulden over 2003-2005 en een rekening-courantschuld aan zijn B.V., omdat deze niet in het convenant waren opgenomen.
De rechtbank wees deze vordering af, maar het hof kende deze toe op basis van uitleg van het convenant en het ontbreken van een uitdrukkelijke regeling over de schulden. De vrouw betwistte dat zij wist van de schulden en dat deze waren uitgesloten van de regeling.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de vrouw van de schulden wist, zonder alle door haar gestelde feiten en omstandigheden mee te wegen. De Hoge Raad stelde dat bij uitleg van het convenant alle omstandigheden moeten worden betrokken, waaronder het initiatief van de man als advocaat en de financiële onervarenheid van de vrouw. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.