Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan poging tot oplichting, valsheid in geschrift en het gebruik van een vals geschrift. Verdachte zou betrokken zijn geweest bij het wegnemen van poststukken uit brievenbussen en het verstrekken van persoonsgegevens die werden gebruikt voor frauduleuze creditcardaanvragen.
Het hof stelde vast dat verdachte poststukken uit de brievenbus van een derde heeft gehaald en de daarop vermelde gegevens, waaronder naam, geboortedatum en sofinummer, aan de pleger(s) van de delicten heeft verstrekt. Verdachte werd echter vrijgesproken van het zelf opmaken, gebruiken en indienen van de valse aanvraagformulieren wegens onvoldoende bewijs.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaring met voldoende motivering heeft vastgesteld en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is. De klacht dat de medeplichtigheid niet uit de bewijsmiddelen zou volgen, faalt. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt medeplichtigheid verdachte aan poging tot oplichting en valsheid in geschrift.