Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod op invoer van cocaïne, zoals neergelegd in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet.
De verdachte betwistte dat het hof voldoende feitelijke grondslag had gegeven voor de bewezenverklaring, met name omdat hij stelde dat hij pas handelingen verrichtte nadat de cocaïne al in beslag was genomen. Het hof oordeelde echter dat uit het dossier en de verklaringen van de verdachte blijkt dat hij voorafgaand aan de inbeslagname meerdere activiteiten heeft verricht die gericht waren op de invoer en het verdere vervoer van de cocaïne.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de bewijsmiddelen en de redengevende feiten en omstandigheden voldoende heeft weergegeven, en dat de opgave van bewijsmiddelen volstaat zolang de verdachte niet vrijspraak heeft bepleit of anders heeft verklaard. Het cassatieberoep faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van cocaïne.