Uitspraak
,nummer 21/002965-07
,ingediend door mr. J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort
,namens:
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem uit 2008, waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften over meerdere perioden en medeplegen van valsheid in geschrift. De Hoge Raad beoordeelt of nieuw aangevoerde feiten aanleiding geven tot herziening.
De aanvraag baseert zich op een rapportage uit 2012 die zou aantonen dat de verklaringen van een getuige-deskundige onterecht als essentieel bewijs zijn gebruikt. De Hoge Raad overweegt dat het hof niet uitsluitend op deze verklaring heeft gesteund, maar ook op andere bewijsmiddelen zoals verklaringen van een betrokkene en financiële administratie waaruit contante stortingen bij een Duitse bank blijken.
Gelet op de samenhang van het bewijsmateriaal wekt het nieuwe gegeven geen ernstig vermoeden dat het onderzoek tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Daarom wordt de aanvraag tot herziening afgewezen. De Hoge Raad bevestigt hiermee de eerdere veroordeling en sluit de procedure af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt daarmee de eerdere veroordeling.