Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad oordeelde eerder dat bepaalde middelen niet tot cassatie konden leiden en gaf de Advocaat-Generaal gelegenheid zich uit te laten over een ander middel.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest wat betreft de strafhoogte en tot vermindering van de straf. De Hoge Raad beoordeelde het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat een vermindering van de gevangenisstraf rechtvaardigde. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de straf van 48 naar 43 maanden, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 48 naar 43 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.