Belanghebbende exploiteert samen met zijn zoon een tuindersbedrijf dat onder meer bestaat uit het snoeien van bomen en struiken voor de verkoop van snijgroen. De bomen staan op percelen grond en het opgaande hout wordt intact gehouden terwijl de zijtakken worden gesnoeid en verkocht. Belanghebbende verzocht toepassing van de bosbouwvrijstelling voor de winst uit de verkoop van snijgroen, maar de Inspecteur weigerde dit.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het Hof vernietigde dit en gaf belanghebbende gelijk, waarbij het oordeelde dat het snoeien van zijtakken voor verkoop niet in strijd is met de eis van instandhouding van het opgaand hout. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat voor toepassing van de bosbouwvrijstelling het intact houden van het opgaand hout voorop moet staan en dat het snijden van zijtakken voor verkoop binnen deze vrijstelling valt zolang het bosbeheer normaal is en herbeplanting plaatsvindt. De vergelijking met boomkwekers- of fruitteeltbedrijven is niet relevant. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.