Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 8 november 2012, nr. 11/00843, betreffende een aan
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een moedervennootschap binnen een fiscale eenheid, exploiteerde een garagebedrijf en gebruikte een perceel grond als stallingsruimte. De gemeente verzocht om verwijdering van deze stallingsruimte ten behoeve van woningbouw, waarna belanghebbende besloot het perceel te herontwikkelen en te verkopen.
Na diverse procedures in lagere instanties werd vastgesteld dat het perceel tot kort voor levering een wezenlijke functie als bedrijfsmiddel vervulde. Het Hof oordeelde dat het gebruik van het perceel als stallingsruimte niet als bijkomstig kon worden beschouwd, ondanks dat er projectontwikkelingsactiviteiten plaatsvonden.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond. De vorming van een herinvesteringsreserve op grond van artikel 3.54, lid 1, Wet IB 2001 is toegestaan omdat het perceel als bedrijfsmiddel werd gebruikt tot aan de levering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de vorming van een herinvesteringsreserve wordt bevestigd.