Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende aanslagen voor het jaar 2008 in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van deze beroepen en constateerde dat de beroepschriften niet voldeden aan de eis van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van beroep ontbraken. Belanghebbende werd meerdere malen in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, onder meer via aangetekende brieven en een uiterste inlevertermijn van 30 augustus 2013.
Omdat belanghebbende niet binnen deze termijn de gronden heeft ingediend, en de brief die op 4 september 2013 werd ontvangen te laat was, verklaarde de Hoge Raad de beroepen niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 29 november 2013 door de raadsheren Schaap, van Loon en Groeneveld.