ECLI:NL:HR:2013:1455

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2013
Publicatiedatum
28 november 2013
Zaaknummer
13/01751
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over aanslagen voor het jaar 2008 in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

De beroepschriften in cassatie bevatten niet de vereiste gronden van beroep zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, onder meer via aangetekende brieven en een uiterste termijn van 30 augustus 2013.

Belanghebbende heeft niet binnen deze termijn de gronden ingediend; een brief die op 4 september 2013 binnenkwam wordt als te laat beschouwd. Daarom verklaart de Hoge Raad de beroepen in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb Pro.

De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Schaap, van Loon en Groeneveld en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van de gronden van beroep.

Uitspraak

29 november 2013
Nrs. 13/01742 en 13/01751
Arrest
gewezen op de beroepen in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 15 februari 2013, nr. AWB 11/5712 en nr. AWB 11/05713, op de verzetten van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank van 22 februari 2012 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen in cassatie

De beroepschriften in cassatie bevatten, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van beroep.
Bij aangetekende brieven van 10 juli 2013 respectievelijk 3 juni 2013 heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen.
Na inwilliging van het verzoek om een gevoegde behandeling van de beroepen in cassatie heeft de griffier van de Hoge Raad, laatstelijk bij per aangetekende post verzonden brief van 23 augustus 2013, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgehaald op de afhaallocatie, belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 30 augustus 2013 de gronden van de beroepen ter griffie van de Hoge Raad in te dienen.
Nu herstel van het verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden – de op 4 september 2013 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten - zal de Hoge Raad met toepassing van het bepaalde in artikel 6:6 Awb Pro de beroepen in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.