Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 26 juni 2012, nr. BK-11/00727, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. De Rechtbank te ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, en het Hof bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende en de Staatssecretaris respectievelijk een conclusie van repliek en dupliek indienden.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Er werden geen proceskosten opgelegd. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.