Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 december 2013.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift in het kader van bijstandsfraude. Het hof stelde vast dat de verdachte in de periode van april 2003 tot oktober 2007 meerdere malen valse rechtmatigheidsonderzoeksformulieren had ingevuld en ingediend bij de gemeente Lelystad, waarbij hij onjuiste informatie gaf over zijn samenwoning met een medeverdachte.
De bewezenverklaring was gebaseerd op onder meer verklaringen van sociaal rechercheurs, getuigenverklaringen en schriftelijke bescheiden zoals de ingevulde formulieren. De verdachte zou hiermee onrechtmatig een uitkering hebben ontvangen waarop hij geen recht had.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte daadwerkelijk samen met een ander de formulieren valselijk had opgemaakt, zoals vereist voor medeplegen. Hierdoor voldeed het arrest niet aan de eis van een deugdelijke motivering.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking had op de medeplegen tenlastelegging en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling en afdoening van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.