Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 8 juni 2012, nr. 11/02848.
Hoge Raad
Belanghebbende verzocht om herziening van een arrest van 8 juni 2012. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna adresverificatie plaatsvond en de brief alsnog per gewone post werd verzonden.
Het griffierecht werd niet voldaan. Vervolgens ontving belanghebbende opnieuw een aangetekende brief met het verzoek om uitleg over het niet tijdig betalen van het griffierecht. Ook deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden, waarna opnieuw adresverificatie plaatsvond en de brief per gewone post werd verzonden. Belanghebbende reageerde niet.
Op grond van artikel 8:41, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd op 12 juli 2013 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.