Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
13 december 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoeker die toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) heeft aangevraagd. Zowel de rechtbank Zeeland-West-Brabant als het gerechtshof ’s-Hertogenbosch hebben het verzoek afgewezen. De afwijzing berust op het ontbreken van een deugdelijke opgave van schulden en het niet aantonen van een poging tot minnelijke regeling, zoals vereist in artikel 285 lid 1 aanhef Pro en onder a en f van de Faillissementswet (Fw).
Daarnaast werd geoordeeld dat de verzoeker niet te goeder trouw was met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van schulden, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. De verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep zonder nadere motivering, omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. Het arrest bevestigt daarmee de eerdere beslissingen en onderstreept het belang van een volledige en juiste schuldenopgave en goede trouw bij het aanvragen van toelating tot de WSNP.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheren van de Hoge Raad op 13 december 2013 en is van belang voor de toepassing van de Faillissementswet in het kader van schuldsanering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het toelatingsverzoek tot de WSNP afgewezen.