Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
17 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin het vonnis van de Rechtbank werd bevestigd. Verdachte werd onder meer beschuldigd van het met valse namen en hoedanigheden bedrieglijk verkrijgen van verf en verfbenodigdheden bij verschillende groothandels en winkels.
De Rechtbank had op basis van onder meer bekennende verklaringen, aangifteprocessen-verbaal en getuigenverklaringen bewezen verklaard dat verdachte en een medeverdachte meerdere malen telefonisch bestellingen plaatsten onder valse voorwendselen, waarbij goederen werden geleverd dan wel pogingen daartoe werden gedaan. Verdachte had ter terechtzitting in hoger beroep de ten laste gelegde feiten duidelijk en ondubbelzinnig bekend.
Het cassatieberoep betrof onder meer de klacht dat de Rechtbank artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet had nageleefd door niet alle bewijsmiddelen op te geven. De Hoge Raad overwoog dat volgens de wetsgeschiedenis bij een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis van verdachte volstaan kan worden met een opgave van bewijsmiddelen, en dat het oordeel van het Hof dat verdachte zodanig had bekend niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het Hof en het vonnis van de Rechtbank. De overige middelen konden eveneens niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Hof wordt bevestigd.