ECLI:NL:HR:2013:2001

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2013
Publicatiedatum
17 december 2013
Zaaknummer
11/03798
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420quater SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie witwassen zonder bewijs van eigen misdrijf en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding

In deze zaak stond de vraag centraal of het enkele voorhanden hebben van een geldbedrag dat afkomstig is uit een misdrijf, zonder dat aannemelijk is dat dit eigen misdrijf van verdachte betreft, kan worden gekwalificeerd als witwassen. De verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een geldbedrag van €10.725, waarvan werd vastgesteld dat hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf.

De Hoge Raad herhaalde zijn eerdere jurisprudentie dat wanneer het gaat om voorwerpen afkomstig uit een door verdachte zelf begaan misdrijf, er aanvullende motiveringsvereisten gelden. In deze zaak was echter niet gesteld noch gebleken dat het geldbedrag uit een eigen misdrijf van verdachte afkomstig was, zodat deze aanvullende eisen niet van toepassing waren. Het hof had het bewezenverklaarde terecht als witwassen gekwalificeerd en voldoende gemotiveerd.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met acht maanden. Het cassatieberoep werd verder verworpen, waarmee het arrest van het hof grotendeels in stand bleef, behoudens de strafvermindering.

De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke motivering bij witwasveroordelingen en bevestigt dat niet elke gedraging van voorhanden hebben automatisch witwassen inhoudt, vooral niet bij eigen misdrijf. De strafvermindering vanwege termijnoverschrijding onderstreept het belang van tijdige rechtsgang.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot zeven maanden en twee weken wegens termijnoverschrijding, terwijl de veroordeling voor witwassen werd bevestigd.

Uitspraak

17 december 2013
Strafkamer
nr. 11/03798
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juli 2011, nummer 23/004629-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal N. Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen ten aanzien van de straf, tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het vierde middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat niet elk "voorhanden hebben" van een voorwerp een gedraging inhoudt die als een vorm van witwassen kan worden gekwalificeerd, althans dat het Hof zijn oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.2.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij op 20 juli 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van EURO 10.725, voorhanden heeft gehad, terwijl hij (de Hoge Raad leest:) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."
2.3.
Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.
Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".
Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.
Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.
Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.
Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)
2.4.1.
Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.
2.4.2.
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, zoals is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht.
2.4.3.
Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5.
Het middel faalt derhalve.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.

5.Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 december 2013.