ECLI:NL:HR:2013:2034

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2013
Publicatiedatum
17 december 2013
Zaaknummer
13/03746
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 232 SrArt. 457 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsaanvraag wegens onvoldoende motivering novum

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een eerder in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Amsterdam. De aanvraagster was veroordeeld voor medeplegen van het gebruik en bezit van valse kaarten en oplichting, waarvoor zij een gevangenisstraf van tien maanden kreeg opgelegd.

De herzieningsaanvraag beriep zich op een novum, namelijk dat de aanvraagster onder valse voorwendselen naar Nederland was gelokt en onder dwang een vals paspoort moest gebruiken, hetgeen zou wijzen op mensenhandel. Volgens de aanvraagster zou kennis van deze omstandigheden tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een minder zware straf hebben geleid.

De Hoge Raad stelde dat de aanvraag niet voldeed aan de strenge motiveringseisen van artikel 460 Sv Pro. De aanvraag vermeldde niet de redenen waarom het novum tot een andere beslissing had kunnen leiden, noch werd met voldoende precisie uiteengezet waarom het novum ernstige twijfel aan de bewijsvoering zou kunnen doen ontstaan. Daarom kon de Hoge Raad de aanvraag niet in behandeling nemen.

De Hoge Raad verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk en liet het eerdere vonnis in stand. Dit arrest benadrukt het belang van een nauwkeurige en gedetailleerde motivering bij herzieningsverzoeken op grond van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk wegens onvoldoende motivering van het novum.

Uitspraak

17 december 2013
Strafkamer
nr. S 13/03746 H
SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 11 maart 2010, nummer 13/401672-09, ingediend door mr. W.L.C. Rijk, advocaat te Rotterdam, namens:
[aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvraagster ter zake van
1. "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een valse kaart als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk een valse kaart als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat de kaart bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is" en 3. "medeplegen van oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1.
Naar luid van art. 460, tweede lid, Sv dient de aanvraag de gronden te vermelden waarop deze berust. De aanvraag zal dus naar behoren gemotiveerd dienen te zijn. Dat vindt bevestiging in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot het huidige art. 460 Sv Pro heeft geleid (Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 32).
3.2.
Hieruit – bezien in samenhang met de omstandigheid dat ingevolge art. 460 Sv Pro de indiening van herzieningsaanvragen is voorbehouden aan rechtsgeleerde raadslieden en de procureur-generaal bij de Hoge Raad – volgt dat uitsluitend een herzieningsaanvraag welke aan deze motiveringseis voldoet, in behandeling kan worden genomen. Een aanvraag die daaraan niet beantwoordt, is niet een aanvraag als in de wet bedoeld en moet daarom buiten behandeling blijven.
3.3.
Dat betekent dat ingeval een op art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv steunende aanvraag een beroep doet op een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling, (a) de aanvraag een nauwkeurige omschrijving dient te behelzen van bedoeld gegeven (hierna: het novum), dus zonder daartoe slechts te verwijzen naar eventuele bijgevoegde bescheiden;
( b) de aanvraag de redenen moet vermelden waarom het novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden;
( c) de aanvraag, indien deze ertoe strekt de bewijsvoering aan te tasten, met voldoende precisie dient uiteen te zetten (i) waarom welk onderdeel van de bij de aanvraag gevoegde bescheiden leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van een nauwkeurig aangeduid gedeelte van de bewijsvoering, en (ii) waarom dat leidt tot het ernstige vermoeden dat het onderzoek van de zaak destijds zou hebben geleid tot een vrijspraak.
Slechts indien de aanvraag aan deze eisen voldoet, is de Hoge Raad in staat de gegrondheid ervan adequaat te beoordelen.
3.4.
Indien de aanvraag aan die eisen niet voldoet, kan zij op grond van een tekortschietende motivering niet gelden als een aanvraag in de zin der wet en moet zij daarom buiten behandeling blijven.
3.5.
In de aanvraag wordt als novum aangevoerd dat jegens de aanvraagster "is gebleken van omstandigheden die wijzen op mensenhandel" en dat zij "onder valse voorwendselen naar Nederland [is] gelokt en (...) onder dwang een vals paspoort [heeft] moeten gebruiken om valse creditcards te verzilveren". Volgens de aanvraag zou de aanvraagster indien de Rechtbank daarmee bekend was geweest "hetzij zijn vrijgesproken, hetzij zijn ontslagen van alle rechtsvervolging, hetzij een minder zware straf opgelegd hebben gekregen".
3.6.
Nu de aanvraag niet de redenen vermeldt waarom het gestelde novum tot één van de genoemde beslissingen zou hebben kunnen leiden, voldoet de aanvraag niet aan de hiervoor onder 3.3 bedoelde eisen. Daarom kan zij op grond van een tekortschietende motivering niet gelden als een aanvraag in de zin der wet en moet zij buiten behandeling blijven. De aanvraag dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 december 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.