Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Uitgangspunten in cassatie
5.Beoordeling van de middelen
6.Beslissing
20 december 2013.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of de vordering van ING Bank tegen eisers wegens een kredietfaciliteit is verjaard. De kredietfaciliteiten werden in de jaren negentig verstrekt en opgezegd, waarna ING haar vordering opeiste. Eisers stelden dat de vordering was verjaard omdat de verjaringstermijn was verstreken zonder stuiting.
De rechtbank wees de vordering van ING af wegens verjaring, maar het gerechtshof vernietigde dit en oordeelde dat de brief van 17 februari 1995 van ING aan eisers de verjaring heeft gestuit. Het hof veroordeelde eisers tot betaling van een bedrag aan ING. Eisers stelden in cassatie dat na deze stuiting een nieuwe verjaringstermijn is begonnen die alsnog was verstreken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn onderzoek ten onrechte beperkte tot de stuiting door de brief van 17 februari 1995 en niet heeft onderzocht of de nieuwe verjaringstermijn was voltooid. Echter, uit de stukken blijkt dat ING ook na die datum meerdere schriftelijke aanmaningen heeft verzonden, waarmee de verjaring telkens is gestuit. Daarom faalt het beroep van eisers op verjaring.
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor eerdere tussenarresten en verwerpt het beroep voor het overige. Eisers worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat de verjaring door ING tijdig is gestuit met schriftelijke aanmaningen.