ECLI:NL:HR:2013:2121

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2013
Publicatiedatum
19 december 2013
Zaaknummer
11/05571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bestuursrechtelijke dwangsombesluiten en bevoegdheidsverdeling

In deze zaak stond de rechtmatigheid van een bestuursrechtelijk dwangsombesluit centraal, waarbij eiser bezwaar maakte tegen de executie van een bestuurlijke dwangsom opgelegd door de gemeente Berkelland. De rechtbank Zutphen en het gerechtshof Arnhem hadden eerder geoordeeld over de rechtmatigheid en de bevoegdheidsverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter.

Eiser stelde in cassatie dat sprake was van misbruik van bevoegdheid door de gemeente vanwege de mogelijkheid tot legalisering en betwistte de juiste rechterlijke toetsing van het dwangsombesluit. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en het arrest van het hof en oordeelt dat de klachten onvoldoende gronden bieden voor cassatie.

De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van de rechtmatigheid van een dwangsombesluit in verzet niet tot cassatie leidt, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het arrest bevestigt de geldende bevoegdheidsverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter bij de executie van bestuursrechtelijke dwangsommen.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee wordt het arrest van het gerechtshof gehandhaafd en de rechtmatigheid van het dwangsombesluit bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

20 december 2013
Eerste Kamer
nr. 11/05571
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. J.C. Zevenberg,
t e g e n
GEMEENTE BERKELLAND,
zetelende te Borculo, gemeente Berkelland,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 97562/HA ZA 09-3 van de rechtbank Zutphen van 11 maart 2009 en 17 februari 2010;
b. het arrest in de zaak 200.061.896 van het gerechtshof te Arnhem van 12 juli 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de Gemeente toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
20 december 2013.