Belanghebbende kreeg in de jaren 1999, 2000, 2002 en 2003 aandelenopties toegekend van zijn werkgevers. Voor het jaar 2006 werd een navorderingsaanslag opgelegd omdat de optierechten niet in het oorspronkelijke inkomen waren opgenomen. De Rechtbank vernietigde deze aanslag, stellende dat belastingheffing bij toekenning moet plaatsvinden.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de navorderingsaanslag betrof en oordeelde dat de optierechten belast moeten worden op het moment dat zij onvoorwaardelijk uitoefenbaar werden. Tevens stelde het Hof dat sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde en dat belanghebbende te kwader trouw was, waardoor een vergrijpboete terecht was opgelegd.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond, maar het cassatieberoep van de Staatssecretaris gegrond. De Hoge Raad oordeelde dat het standpunt dat optierechten in geen van de jaren tot het inkomen behoorden niet verdedigbaar was en dat het Hof ten onrechte een pleitbaar standpunt aannam dat een boete zou uitsluiten. De zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, met name over de hoogte van de boete.