ECLI:NL:HR:2013:43

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
12/02005
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling contractuele boete bij uitblijven transport wegens financieringsvoorbehoud woningkoop

In deze zaak stond de vraag centraal of de eiser gehouden was tot betaling van een contractuele boete vanwege het uitblijven van de transportakte bij de koop van een woning, waarbij een financieringsvoorbehoud was opgenomen.

De procedure begon bij de rechtbank ’s-Gravenhage met vonnissen in 2008, gevolgd door meerdere arresten van het gerechtshof te ’s-Gravenhage in 2009, 2011 en 2011. Het geschil betrof de uitleg en toepassing van het boetebeding bij niet-nakoming van de transportverplichting.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser verworpen omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van verweerster werd daardoor niet behandeld.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten aan verweerster. Hiermee werd bevestigd dat de contractuele boete verschuldigd was bij het uitblijven van transport ondanks het financieringsvoorbehoud.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

28 juni 2013
Eerste Kamer
nr. 12/02005
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
de vonnissen in de zaak 302028/HA ZA 08-117 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 maart 2008 en 17 december 2008;
de arresten in de zaak HD 200.042.674/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 6 oktober 2009, 17 mei 2011 en 27 december 2011.
Het arrest van 27 december 2011 van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van 27 december 2011 van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 2.489,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
28 juni 2013.