AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad wijst aanvraag tot herziening strafzaak poging tot doodslag af
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin de aanvrager was veroordeeld voor poging tot doodslag tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
De aanvraag tot herziening berustte op nieuwe getuigenverklaringen die volgens de aanvrager het ernstige vermoeden wekten dat, indien deze bekend waren geweest bij de feitenrechter, dit had geleid tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of toepassing van een minder zware strafbepaling.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvraag ongegrond was omdat de nieuwe verklaringen niet voldeden aan de strenge criteria van artikel 457 SvPro. De Hoge Raad volgde dit advies en wees de aanvraag af, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
De beslissing werd genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 27 augustus 2013, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink betrokken waren.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de eerdere veroordeling.
Uitspraak
27 augustus 2013
Strafkamer
nr. 12/02488 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 september 2010 ,nummer 20/002696-09 ,ingediend door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht ,namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Maastricht van 17 juli 2009 – de aanvrager ter zake van "poging tot doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2.De aanvraag tot herziening
2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat de thans door de aanvrager overgelegde nieuwe getuigenverklaringen het ernstige vermoeden wekken dat wanneer de feitenrechter met de inhoud van die verklaringen bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot een toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.
4.Beoordeling van de aanvraag
4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 SvPro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot een toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als hiervoor bedoeld. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 SvPro worden afgewezen.
5.Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.