Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 14 januari 2010, nrs. 08/00557 en 09/00804, betreffende naheffingsaanslagen in de omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, ondernemer van een adviesbureau, kocht in 2002 een boerderij die werd verbouwd tot een combinatie van woonruimte en kantoorruimte. De verbouwing betrof onder meer het toevoegen van een gedeelte van de stal aan de woning en het ombouwen van een ander deel tot kantoor met eigen voorzieningen. Belanghebbende bracht de in rekening gebrachte omzetbelasting over de verbouwing volledig in aftrek.
De Inspecteur stelde dat 75% van de omzetbelasting betrekking had op de privébestemde woonruimte en heffingsaanslagen werden opgelegd. Zowel de Rechtbank als het Hof bevestigden dit standpunt, waarbij het Hof oordeelde dat het gebruik voor privédoeleinden niet gelijkgesteld kon worden met een belaste dienst en daarom geen recht op aftrek bestond voor het woonruimtegedeelte.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door niet te erkennen dat duurzame aanpassingen aan een gebouw afzonderlijke investeringsgoederen kunnen vormen. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het Hof Den Haag voor nadere beoordeling, waarbij onder meer moet worden onderzocht welke verbouwingswerkzaamheden als duurzame investeringsgoederen kunnen worden aangemerkt en welk gebruik (privé of zakelijk) daaraan ten grondslag ligt.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten en belanghebbende krijgt het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling.