Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
3 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van de Republiek Bosnië-Herzegovina gericht tegen een persoon geboren in 1977. De Rechtbank Noord-Holland had op 29 maart 2013 het uitleveringsverzoek behandeld en een uitspraak gedaan. De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij hij werd bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Op 3 september 2013 wees de Hoge Raad het arrest uit, waarbij het cassatieberoep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, samen met raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink. Hiermee blijft de uitspraak van de rechtbank in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de opgeëiste persoon wordt verworpen en de uitleveringsuitspraak van de rechtbank blijft in stand.