Uitspraak
Fiscale eenheid [X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te Haarlemvan 8 oktober 2009, nr. AWB 07/4082, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit twee vennootschappen, had omzetbelasting betaald over verbouwingskosten van een privéwoning waarin een werkruimte werd gecreëerd voor werkzaamheden ten behoeve van de onderneming. De Rechtbank Haarlem oordeelde dat de verbouwingswerkzaamheden niet konden worden aangemerkt als investeringsgoed binnen het ondernemingsvermogen, waardoor slechts gedeeltelijk recht op aftrek van omzetbelasting werd toegekend.
In cassatie stelde belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn had toegepast door de verbouwingswerkzaamheden niet als investeringsgoed te kwalificeren. De Hoge Raad volgde het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en oordeelde dat duurzame aanpassingen aan een gebouw als afzonderlijk investeringsgoed kunnen worden beschouwd. Het is aan de nationale rechter om te bepalen of de voorzieningen zijn aangeschaft door een belastingplichtige die handelt als ondernemer.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verwees de zaak terug voor nader onderzoek naar welke verbouwingswerkzaamheden als duurzame investeringsgoederen kunnen worden aangemerkt en of deze voor (mede) bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Tevens werd bepaald dat recht op aftrek bestaat voor niet-duurzame aanpassingen voor zover deze worden gebruikt binnen de onderneming. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de zaak verwezen voor nadere behandeling.